Kennisbank
Controle en toleranties
Een model wordt gecontroleerd voordat het de deur uitgaat, en hoort nog eens gecontroleerd te worden op de werf. Hoe die controle verloopt en welke toleranties in de praktijk gangbaar zijn.


Controle tijdens het modelleren
Een model wordt niet alleen gebouwd, maar ook nagekeken tegen de bronplannen. Die controle gebeurt op verschillende niveaus:
- peilen: de hoogtes op het plan (vloerpeilen, boordstenen, putdeksels) worden vergeleken met het model op dezelfde plaats;
- hellingen: langs- en dwarshellingen worden nagemeten en vergeleken met de profielen;
- aansluitingen: overgangen tussen ontwerpdelen en met het bestaande terrein mogen geen sprongen of onverwachte knikken vertonen;
- hoogtelijnen: een hoogtelijnenbeeld maakt onregelmatigheden zichtbaar, zoals een rijweg die tussen twee profielen doorbuigt of een talud dat plots van helling verandert;
- volledigheid: zijn alle zones, lagen en lijnen aanwezig die nodig zijn voor de uitvoering.
Tegenstrijdigheden in plannen
Plannen bevatten soms tegenstrijdige informatie: een peil op het grondplan dat niet overeenkomt met het lengteprofiel, of een helling die niet past bij de opgegeven hoogtes. Zulke punten worden niet stilzwijgend ingevuld maar gemeld, zodat de ontwerper of de werfleider kan beslissen welke waarde geldt.


Toleranties in algemene termen
De nauwkeurigheid die op de werf bereikt wordt, hangt af van meer dan het model alleen: het type positionering (GNSS of total station), de kwaliteit van de correctiegegevens, de kalibratie van de machine en de bodem. Het model zelf moet daarom ruim binnen de toleranties van het werk liggen, zodat het geen merkbare bijdrage levert aan de totale fout.
In de praktijk gelden voor grondwerken meestal toleranties van enkele centimeters, en voor fundering en afwerkingslagen strengere waarden. De exacte toleranties staan in het bestek of de technische voorschriften van het project; die zijn altijd bepalend. Machinesturing met GNSS is doorgaans minder nauwkeurig in hoogte dan in ligging, wat bij fijne afwerking meetelt.
Vóór de start
- 1Zet de bak of rover op een gekend punt
- 2Vergelijk ligging én hoogte met het model
- 3Binnen de tolerantie? Dan kan u starten
- 4Erbuiten? Eerst stelsel/kalibratie nakijken
Controle op de werf vóór de start
Vóór de eerste schop in de grond gaat, hoort het model op de werf gecontroleerd te worden. Dat is een korte maar essentiële stap:
- plaats het werktuig op een gekend punt met betrouwbare coördinaten en hoogte (een referentiepunt, een bestaand putdeksel of een ingemeten piket);
- vergelijk de getoonde positie en hoogte met de gekende waarden;
- controleer op een tweede punt, liefst aan de andere kant van de werf;
- bij een afwijking: eerst stelsel, kalibratie en machine-instellingen nakijken, en pas daarna het model.